NEMO Science Museum

Geschiedenis

In 1923 werd het Museum van den Arbeid opgericht door schilder Herman Heijenbrock. De naam veranderde in 1954 in het Nederlands Instituut voor Nijverheid en techniek (NINT). Deze voorgangers van NEMO waren gehuisvest op de Rozengracht en de Tolstraat in Amsterdam. De rode lijn in negentig jaar: grote liefde voor wetenschap en technologie en gedreven directeuren en medewerkers .

Het begin: 1923

1939_11_Glaszaal001.jpg

Vooruitgangsvertrouwen

Het Museum van den Arbeid, waar de oorsprong van NEMO ligt, werd opgericht door Herman Heijenbrock. Hij was industrieschilder, zijn thema’s: techniek en arbeid. In zijn museum wilde hij een plek geven aan zijn grote verzameling objecten en schilderijen. Ook wilde hij zijn enthousiasme voor technologie overbrengen op jonge bezoekers.

Persoonlijke fascinaties

Industrialisatie en het vertrouwen in de vooruitgang waren de thema’s in het museum dat ook gekenmerkt werd door oprichter Heijenbrocks persoonlijke fascinaties. Het Museum van den Arbeid bleef daarmee vooral Heijenbrocks persoonlijke verzameling. Mede door de economische crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog kon het museum niet uitgroeien tot een serieus nationaal technisch museum.

Het NINT: 1954-1983

1973_NINT_exterieur_Rozengracht_1971.jpg

Wederopbouwjaren: 1945-1970

In de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog werd de vaderlandse industrie gezien als dé motor achter economische groei. Een nieuw bestuur en een nieuwe directeur, W. Heldoorn, zochten naar een nieuwe naam voor het Museum van den Arbeid. Dit werd het Nederlands Instituut voor Nijverheid en Techniek.

Het NINT wilde kinderen enthousiast te maken voor industrie en technische beroepen. De tentoonstellingen bootsten industriezalen na met foto’s, producten, modellen en schema’s. Ook werden er technische films vertoond voor de jeugd en werden ouders uitgenodigd op voorlichtingsavonden over de studie- en beroepskeuze van hun kinderen.

Neutraler terrein: 1970-1983

In de jaren zeventig begon het geloof in de vooruitgang te wankelen. De maatschappelijke kritiek op technologie en industrie nam sterk toe. Het NINT verplaatste daarom zijn activiteiten naar neutraler terrein. Het werd een instituut dat een didactische aanvulling bood op het onderwijs: natuurkunde, chemie, techniek en het nieuwe fenomeen computers.

Na 1979 kwam er meer aandacht voor Amerikaanse voorbeelden van science centra waarin speelsheid een leidend thema was om kinderen kennis te laten maken met techniek. Een nieuw directieteam introduceerde begin jaren tachtig wetenschapstheater en een technische speeltuin voor zeer jonge kinderen. Deze koers sloot perfect aan op de tijdsgeest. In 1983 verhuisde het NINT van de Rozengracht naar de Tolstraat.

Nieuwe koers: 1988-1999

Onder leiding van een nieuwe directeur, Joost Douma, zette het NINT vanaf 1988 een nieuwe koers in. Een projectorganisatie begon met werven van medestanders en fondsen. In het museum veranderde de opstelling op de begane grond van de Tolstraat in een science center avant la lettre.

NewMetropolis

In 1997 opende na jaren van voorbereiding newMetropolis in het huidige groene gebouw aan het Oosterdok boven op de IJtunnel. Een krachtig en vernieuwend gebouw paste bij de nieuwe koers. NewMetropolis wilde bezoekers van alle leeftijden nieuwe vaardigheden leren via spellen en interactieve tentoonstellingsobjecten. Het kreeg veel aandacht in binnen en buitenland maar na anderhalf jaar moest het zijn koers veranderen vanwege grote exploitatietekorten.

Wetenschap als basis: 2000-nu

Onder de nieuwe directeur Michiel Buchel, aangetreden in 2003, wordt steeds sterker de nadruk gelegd op ‘wetenschap.’, NEMO laat het publiek kennismaken met wetenschap door er zelf mee aan de slag te gaan.

““In NEMO wordt zeer inspirerend zichtbaar dat wetenschap en technologie onlosmakelijke delen zijn van onze Nederlandse cultuur; in het verleden, heden en toekomst.” ”

Wiebe Draijer, voorzitter Raad van Toezicht

Alle wetenschappen

Niet alleen de natuurwetenschappen maar álle wetenschappen zijn fascinerend. Deze basis biedt ook vandaag de dag nog een onuitputtelijke hoeveelheid mogelijkheden om mensen te boeien: tentoonstellingen, kinderlezingen, evenementen binnen en buiten het gebouw, televisieprogramma’s en een historische erfgoedcollectie.