Bij IVG ‘knippen en plakken’ wetenschappers in principe niet in het DNA.
Wél zouden met IVG meer mogelijkheden kunnen ontstaan voor het kiezen van de eigenschappen van een kind. Dat zit zo. Met IVG zou je heel veel embryo’s kunnen maken: je kunt dan immers grote aantallen eicellen maken. Hieruit zouden ouders dan één embryo kunnen kiezen, met de genetische eigenschappen die zij graag voor hun kind willen. Denk aan een embryo zonder genetische aandoeningen. Maar misschien ook wel voor andere lichamelijke en psychische eigenschappen die (deels) bepaald worden door je DNA.
Er zijn bedrijven in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, die dit soort screening nu al aanbieden voor ivf-embryo’s. Daarbij zijn er veel minder embryo’s om uit te kiezen. Ouders zouden bijvoorbeeld een embryo kunnen kiezen met het minste risico op hart- en vaatziekten of Alzheimer. Dit is zeer omstreden, onder andere omdat het wetenschappelijk bewijs hiervoor grotendeels ontbreekt. Bij veel eigenschappen en ziektes zijn namelijk heel veel verschillende delen van je DNA betrokken, en speelt ook je omgeving een grote rol.
Er zijn ook situaties waarin wetenschappers bij IVG wél iets in DNA zouden moeten veranderen, om ervoor te zorgen dat een goede ei- of zaadcel ontstaat. Zo hebben sommige mensen geen goede ei- of zaadcellen, doordat er foutjes in hun DNA zitten. Wetenschappers zouden dan eerst de foutjes in hun gewone lichaamscellen moeten repareren, voordat ze daarmee goede ei- of zaadcellen kunnen maken. Een tweede voorbeeld is het maken van zaadcellen uit vrouwelijke lichaamscellen. Vrouwen hebben geen Y chromosoom. Een Y chromosoom is nodig voor de ontwikkeling van zaadcellen. Bovendien zouden twee vrouwen alleen maar dochters kunnen krijgen, wanneer er geen Y chromosoom in de zaadcel zit. Hier zou dan een Y chromosoom moeten worden toegevoegd.