Het weer
Het weer begint bij de zon. Zonlicht verwarmt de aarde, maar niet overal even sterk. Donkere oppervlakken warmen sneller op dan lichte. Land warmt sneller op dan water. Daardoor ontstaan temperatuurverschillen.

Het weer begint bij de zon. Zonlicht verwarmt de aarde, maar niet overal even sterk. Donkere oppervlakken warmen sneller op dan lichte. Land warmt sneller op dan water. Daardoor ontstaan temperatuurverschillen.

Waar de aarde sterk opwarmt, warmt de lucht erboven mee. Die warme lucht zet uit en stijgt op. Op die plek ontstaat ruimte. Lucht uit koelere gebieden stroomt daarheen: dat voel je als wind. Op een hete dag is dat effect sterker boven asfalt dan boven water of gras.
Door warmte verdampt water. Zon en warmte laten water verdampen, bijvoorbeeld uit planten en regenplassen. Dat water is niet weg, maar komt als waterdamp in de lucht terecht.
Warme lucht kan meer waterdamp vasthouden dan koude lucht. Als warme lucht met veel vocht erin afkoelt, dan moet het vocht ergens naartoe. De waterdamp wordt dan langzaam vloeibaar en vormt kleine druppels. Zo ontstaan wolken.

Worden de druppels in een wolk groot en zwaar genoeg, dan vallen ze omlaag.
De druppels vallen omlaag als regen, sneeuw of hagel. Wat er valt hangt af van de temperatuur van de luchtlagen waar de druppels doorheen bewegen.

Regen, wind, zon en temperatuur vormen samen het weer.
Het weer kan per uur veranderen, maar soms ook dagen hetzelfde blijven. Als je kijkt naar hoe vaak warme, koude, natte of droge periodes terugkomen, gaat het over klimaat.
Het klimaat verandert langzaam doordat weersomstandigheden verschuiven.
Sommige jaren zijn warmer of natter dan andere. Kijk je over een langere periode, dan zie je verschuivingen in hoe vaak en hoe lang bepaald weer voorkomt. Warme periodes kunnen langer duren. Natte en droge momenten vallen niet elk jaar op hetzelfde moment.
Voor planten en dieren maken veranderingen in het weer verschil.
Een paar warme dagen kunnen ze meestal aan. Maar als droogte of hitte weken aanhoudt, raken planten water kwijt en stopt groei. Insecten worden later actief of vinden minder voedsel. Sommige soorten houden dat vol, andere niet.

Bekijk het volgende verhaal