Kunstlicht
Een deel van het kunstlicht ’s nachts straalt opzij en omhoog. Dat licht wordt weerkaatst tegen de wolken of stof in de lucht. Daardoor ontstaat een lichte gloed boven de stad, ook als je de lampen zelf niet ziet.

In de stad is het ’s nachts zelden volledig donker. Straatverlichting, verkeer en gebouwen blijven licht afgeven. Dat verandert hoe de nacht eruitziet, en hoe de natuur daarmee omgaat.
Een deel van het kunstlicht ’s nachts straalt opzij en omhoog. Dat licht wordt weerkaatst tegen de wolken of stof in de lucht. Daardoor ontstaat een lichte gloed boven de stad, ook als je de lampen zelf niet ziet.

Planten reageren op de duur van de nacht. De duur van het donker bepaalt bij veel soorten wanneer ze bloeien of wanneer bladeren afvallen. Dat proces heet fotoperiodiciteit.
Als de nacht kunstmatig wordt verlicht, verandert het lichtsignaal.
Bomen die vlakbij straatverlichting staan houden in de herfst soms langer hun blad vast dan bomen in donkere gebieden.
Het extra licht verlengt voor de plant de dag. Daardoor schuift het moment van bladval op.
Veel nachtvlinders en andere insecten oriënteren zich op maanlicht of sterren.
Fel kunstlicht verstoort hun oriëntatie. Insecten blijven soms rond lampen vliegen. Dat kost energie en het vergroot de kans om opgegeten te worden.

Sommige vogelsoorten trekken ’s nachts en gebruiken sterrenpatronen voor navigatie. Fel kunstlicht kan hun oriëntatie verstoren.

In een écht donkere omgeving zijn ’s nachts duizenden sterren zichtbaar.
In stedelijke gebieden verdwijnen zwakkere sterren door lichtvervuiling. Vaak blijven alleen de meest heldere sterren en planeten zichtbaar. De Melkweg is in stedelijke gebieden vaak niet meer te zien.
Bekijk het volgende verhaal